Rondleiding door de molen
Bovenstaand ziet u een tekening van de Rijn en Lek. Zolder voor zolder zullen wij aan de hand van foto's u rondleiden door de molen.
Vermalen van run
De molen werd in 1659 in gebruik genomen in eikenschors te vermalen tot run. Het schors werd met een soort lange spades van boven geveld en vervolgens in stukjes van 2,5 x 2,5 cm gehakt. De maalinrichting zag er in een eerste aanblik hetzelfde uit als in een korenmolen. Alleen het schuifje in het kaar was groter, evenals het kropgat. Na het malen kreeg men een product dat eruit zag als fijn tabak. Dit ging naar de leerlooierijen die het product, de run verwerkten in hun proces. Eikenschors (overigens ook schors van wilgen en kastanjes) bevatten de stof tannine die de werkzame stof is in het looiproces.
In het midden des lands zijn runmolens verdwenen. In Noord-Brabant staan er nog drie exemplaren, t.w. in Megen, Hilvarenbeek en Raamsdonksveer (hoewel hier de schorsstenen door normale kunststenen zijn vervangen). Verder is er een runmolen enige jaren geleden gereconstrueerd in het Drentse Meppel, hoewel hier de runstenen alleen museaal opgesteld staan en de molen verder dienst doet als korenmolen. Overigens zijn de Brabantse schorsmolens allen gecombineerd met een normaal korenmolenbedrijf.
Leerlooien m.b.v. run
Nadat de runderhuiden zijn onthaard worden ze in een bad met water gelegd (niet zelden een gegraven put achter een looierij of in kuipen). Er wordt een hoeveelheid run aan het water toegevoegd die gelijk is aan het gewicht van de huiden. In dit bad blijven de huiden enige weken liggen. Vervolgens kunnen ze worden nabewerkt, zoals drogen en walsen.
Stadspoort
Wanneer u door de stadspoort wandelt, met de Lek aan uw linker hand. Ziet u achter de eerste boog (zgn. spitsboog) een tweede boog gemetseld, dit was de plaats voor de hamei (het valhek). Verder ziet men aan de linker zijde een soort liftkoker, dit is de luischacht voor het optrekken van de zakken graan. In de hoeken ziet u natuurstenen consoles. Dit zijn de aanzetten van de gewelven.
De balklaag boven u dateert pas uit 1939. Aanvankelijk lag de de eerste zolder 1,5 m1 lager. Echter, door de beperkte doorgang was er nogal eens hinder voor het verkeer.
In de westzijde van de poort ziet u links van de doorgang de toegang tot de molen. De dateert pas van 1941.
Aanvankelijk verkreeg men toegang tot de molen via het pakhuis. Aan de oostzijde van de poort (rechts van de doorgang) stond een gebouwtje met een houten opbouw. In deze opbouw stond een ladder tot aan de stelling. In de stelling was een luik aanwezig. Helaas is bij de restauratie in 1964 deze situatie verdwenen en bij verdere restauraties zijn alle bouwsporen hiervan weggepoetst.
Op
deze afbeelding is duidelijk zichtbaar dat de eerste zolder zich aanvankelijk
veel lager bevond. Het zal u niet verbazen dat dit voor het verkeer nog al eens
problemen opleverde.
Vanwege deze omslachtige toegang liet molenaar Roodvoets zich vanuit het pakhuis zich ophijsen op een graanzak door de (nu onbruikbare) luischacht. Op een van deze - niet bepaald ongevaarlijke - reizen aan het begin van de Tweede Wereldoorlog ontdekte hij een trap in de stadspoort. Niet lang hierna werd de toegang geopend en de trap weer bruikbaar gemaakt.
Het
"trappenhuis"is rechts naast de doorgang zichtbaar. Net boven het
hoogste punt van de boog gaat het stenen gebouwtje over in hout. Via een luik in
de stelling kreeg men toegang tot de molen. Bij noordoosten wind draaide het
wiekenkuis boven dit luik en deze situatie was dus allerminst veilig.
Eerste zolder
Wanneer u over de trap naar de eerste zolder loopt ziet u boven aangekomen de luischacht waardoor Roodvoets zijn luchtreis maakte. Als u de zolder betreet ziet u voor u de tweede luischacht waardoor het graan vanuit de stadspoort omhoog gaat. Molens met twee luiwerken zijn uniek, alleen het zeskante molentje in Nederhemert-Noord heeft ook twee luiwerken.
Rechts van deze luischacht ziet u restanten van een schoorsteen en hier weer rechts van een nis. Deze nis deed dienst als toilet voor de poortwachters. De schoorsteen was aangesloten op een stookplaats. Al deze interessante facetten zijn pas in 2004 aan het licht gekomen. Aanvankelijk waren alle wanden gepleisterd, maar door allerhande scheurvorming vreesde men voor de bouwkundige toestand van de poort. Na het verwijderen van de pleisterlaag kwamen alle bouwsporen in beeld. De scheurvorming bevond zich op plekken waar bij de ombouw tot molen in 1659 herstelwerkzaamheden plaats hebben gevonden. Om de bouwsporen inzichtelijk te houden zijn de wanden niet meer gestuukt.
Net onder heuphoogte ziet u een sprong in de wanden. Zeer waarschijnlijk was dit het vloerniveau in de stadspoortperiode. Op de hoeken bovenaan ziet u wederom natuurstenen consoles die de aanzetten vormen voor nog een gewelf voor de oude stadspoort. Nu vindt u op deze plekken de overgang van vierkant naar het rondgaand metselwerk van de molen.
Maalzolder
De maalzolder is het werkterrein van de molenaar. Op deze zolder wordt het gemalen meel afgetapt in een zak aan een van de maalbakken. De maalbak links van de deur is voor de voerstenen en rechts voor de tarwestenen.
Op de voorgrond ziet u een zwart balkenstelsel. Deze constructie wordt door de molenaar de licht genoemd. Tijdens een windvlaag gaat de molen harder malen en komt er automatisch meer graan tussen de maalstenen. In dit geval heeft de molen tijdelijk wat meer vermogen en moet er meer druk op de molenstenen gegeven worden. Met het gehele hefboomstelsel laat men de loper (bovenste molensteen) wat zakken, waardoor de druk toeneemt en de meelfijnheid gelijk blijft.
Op diverse molens is dit geautomatiseerd d.m.v een regulateur. Als de molen harder draait zwaaien de kogels uit en via een hefboomstelsel wordt de druk op de maalsteen automatisch aangepast.

Een lichtwerk met regulateur in molen Sint Antonius Abt te Borkel en Schaft. Het apparaat boven de klomp op de lessenaar is de regulateur. Wanneer de molen draait, draait deze regulateur mee. Wanneer de molen harder draait, zwaaien de rode kogels omhoog. Op het moment van de opname stond de molen dus stil.
Steenzolder
Het graan wordt in de trechtervormige bak gestort, het kaar en via het schoentje komt het graan tussen de maalstenen terecht. Het schoentje tikt tegen het staakijzer (ook wel steenspil genaamd) en zorgt voor een automatische dosering van het graan.
Op ongeveer 1,7 m1 loopt dwars door de molen de zgn. draagbalk. Hierop is de koningsspil gelagerd. Deze constructie is erg onhandig en normaal gesproken bevindt deze balk zich op ongeveer 2,5 m1 boven de vloer, zodat men zich het hoofd er niet aan stoot. Verder is het vullen van het kaar van het rechter koppel door deze balk minder handig dan normaal.
Mogelijk is oorspronkelijk het koppel runstenen rechtstreeks door het aswiel aangedreven, net als in een standerdmolen en bij de verbouwing tot korenmolen in 1812 voorzien van een normale inrichting.
Achter de maalstenen bevindt zich een venster dat tot aan de vloer loopt. In een aantal oude molens treft men iets dergelijks aan, zoals in de uit 1450 daterende torenmolen te Zeddam en de uit 1644 daterende molen "De Zwaan" te Lienden. Van de laatstgenoemde molen is overigens bekend dat deze door molenmaker uit Wijk bij Duurstede is gebouwd. Het venster bevindt zich net boven de stellingdeur. Wellicht heeft de molen in Wijk bij Duurstede een buitenluiwerk gehad als in een standerdmolen en werd het graan door een luik in de stelling via dit venster (dat in die periode een deur had) gehesen. Helaas zijn door herstelwerkzaamheden geen bouwsporen meer te herleiden.
Boven het spoorwiel bevindt zich een balklaag waarin de staakijzers van de maalstenen zijn gelagerd. Deze constructie is niet gebruikelijk in korenmolens en de balken kunnen ook niet worden versteld. Uit sporen in deze balklaag blijkt dat de molen in het verleden 3 koppel stenen heeft gehad en men treft nog een lagerpunt van een motorkoppel? aan.
Luizolder
Op de luizolder is zijn de luiwerken aanwezig. Hiermee worden de zakken graan omhoog gehesen. Dit kan zowel op de hand als op windkracht. In het laatste geval laat men het ronde wiel op het horizontale wiel (de luitafel) vallen. In verband met de excentrische ligging van de luischacht loopt het luitouw over een tweetal rollen. Zoals genoemd heeft de Rijn en Lek twee luiwerken, een voor het pakhuis en een voor de stadspoort. In het verleden was de luias voorzien van een zgn. gaffelwiel. Hierover liep een eindeloos touw waarmee het graan op handkracht kon worden opgetrokken in het geval dat de molen, bijvoorbeeld door windstilte, niet kon draaien.
Linksachter
ziet men een gaffelwiel t.b.v. het handmatig optrekken van zakken graan.
De kap
Op deze foto is de overbrenging van het aswiel op het bovenrondsel zichtbaar. Rond het aswiel zijn wilgenhouten blokken aangebracht. Deze zijn weer verbonden met een zware balk. Tezamen met de wipstok (die uit de kap naar buiten steekt) wordt de rem, vang geheten bediend. Dit gebeurt buiten vanaf de stelling.
De gehele kap rust op stalen rollen met flenzen, waarop de gehele kap kan draaien.
De opbouw van de kap wijkt af van normale molenkappen. De Wijkse molen heeft een mix van een sporenkap (die men incidenteel in de Achterhoek aantrof) en een gordingenkap (normaal in Nederlandse molens). De spantbenen rusten op een klos op de roosterhouten i.p.v. op de spantring. Vanaf de onderste gording lopen de rietsporen naar de spantring. Deze constructie lijkt erop dat de kap ooit is vermaakt en oorspronkelijk kleiner was.
De
molen bedienenOnderweg naar de molen heeft de molenaar al bedacht hoe de weersomstandigheden die dag zijn. Een ervaren molenaar is vertrouwd met het weer en houdt deze continue in de gaten, ook al is hij of zij niet op de molen. Naar gelang de omstandigheden kan worden bepaald of het veilig is om de molen in bedrijf te stellen. Bij storm (vanaf ongeveer 8 Beaufort), naderend onweer of ijzel is het niet verantwoord te gaan draaien. Vanaf 2 Beaufort is er voldoende wind om te draaien en bij windkracht 3 kan men malen.
Allereerst wordt de molen gekruid, d.w.z. naar de juiste windrichting toegedraaid. De voorkant van het wiekenkruis dient haaks op de windrichting te staan. Als men bij de staart van de molen geen wind voelt staat de molen goed. De molenaar is dus niet afhankelijk van vlaggen, rokende schoorstenen of een klap op een stoffige overall.
Vervolgens worden de zeilen voorgelegd. Aan het eind van de dag worden de zeilen opgerold tot een lange worst en bevestigd. De zeilen worden allereerst dus weer uitgerold en de lussen aan de rechterkant van het zeil achter de kikkers (haken) op de molenroe gehaakt. Aan de linkerkant van het zeil bevinden zich 3 touwen, de slaglijnen, die met een speciale steek worden vastgezet. Onderaan het zeil bevinden zich nog twee touwen, de onderhoektouwen die ook worden vastgezet. Bij weinig wind worden er 4 volle zeilen gekozen, bij veel wind zijn de zeilen niet nodig. Er tussenin kan de molenaar kiezen uit 11 zeilvoeringen.
Aan de staartzijde bevindt zich een dik touw, het vangtouw waarmee de vang (de rem) wordt bedient. Door aan het vangtouw te trekken komende vangblokken vrij en kan de molen draaien.
Met behulp van het luiwerk wordt, als genoemd, het graan omhoog gehesen en op de steenzolder opgeslagen. Men kan ook graan rechtstreeks op het zakkenbankje van de steenkuip plaatsen. Vanaf het zakkenbankje wordt het graan in het kaar (de grote trechter) gestort en het schoentje zorgt voor de automatische dosering van het graan. Het schoentje tikt tegen het staakijzer en wanneer de wind toeneemt in een windvlaag komt er meer graan tussen de stenen en bij een afname van de wind minder. Wanneer de wind toeneemt krijgt de molen opdat moment meer vermogen, dat dus wordt beantwoord door een toename van de graandosering. Om de meelkwaliteit constant te houden wordt de druk tussen de maalstenen geregeld. De molenaar doet dit op het gehoor. De stenen produceren tijdens het malen een zoemend geluid, het zingen van de stenen en aan een verandering van de toonhoogte weet de molenaar of er meer of minder druk moet worden gegeven.
Beneden wordt het meel afgetapt in meelzakken. Als de zak vol zit doet de molenaar een plankje (de scheiplank) in de maalbak en stopt de meelstroom. Vervolgens is er even tijd om de zak te verwisselen.
Als een maalsteen ongeveer 150.000 kg heeft gemalen moeten de groeven (het bodemsel) in de maalsteen weer worden opengehaald, het zgn. scherpen of billen (een Zuid-Nederlandse term, die wat hilarisch klinkt, maar nu in het gehele land wordt gebruikt). Dit gebeurt met een speciale hamer, de bilhamer.
Het scherpen van een maalsteen (in
molen Nummer III te Heusden). De molenaar rust op de knieën en laat de polsen
op de knieën scharnieren. Op deze manier krijg je een vaste slag.
Op de Rijn en Lek vermalen we voornamelijk tarwe en rogge van ecologische teelt. Het meel vindt zijn weg naar vele thuisbakkers die van ons meel brood bakken.
Momenteel wordt er een machine geplaatst om bloem te maken. Het gemalen meel bevat nog alle onderdelen van de graankorrel, inclusief het griesmeel (rijk aan vitamine B) en de zemelen (zeer goed voor de spijsvertering). Omdat alle bestanddelen er nog in zitten wordt er gesproken van volkorenmeel. Wanneer de klant bloem wenst moet het griesmeel en de zemelen worden uitgezeefd. In de machine, de buil, wordt het volkorenmeel via een doseerapparaat gestort en de borstels vegen het bloem door zeefgaas. Het griesmeel en de zemelen zijn grover van samenstelling en passen niet door de mazen in het zeefgaas. Zij worden weer opgevangen. Het is overigens ook mogelijk om alleen de zemelen te verwijderen. Men spreekt dan van lemairemeel en hiermee kan met een lichtbruin brood bakken.
Wanneer de molenaar de molen stil wil zetten, geeft hij of zij een slinger aan het vangtouw en laat de vangblokken weer langzaam op het wiel knijpen. Vervolgens worden de zeilen weer tot een lange worst opgerold en achter de klampen geslagen en vastgeknoopt. Vervolgens wordt het wiekenkruis als stormbeveiliging vastgelegd aan een degelijke ketting, de roeketting en de bliksemafleider weer vastgemaakt.